HET BOEK

johnvanmarwijkJAZZ OP PAPIER LASTIG MAAR VAKBEKWAAM

‘Verzorgde beginnetjes, verzorgde slotjes’. Dat was de kwalificatie die jurylid Theo Loevendie de muziek meegaf waarmee Rogier van Otterloo zich rond 1960 presenteerde op een jazzconcours van het Spinoza Lyceum. Loevendie had het goed gezien, want het is vooral de kunst van het arrangeren waarin hij groot is geworden. Na zes jaar vioolles bekwaamde hij zich in het drummen. Hij zette een plaat op van Stan Kenton en speelde zonder aarzelen het arrangement mee. Op zijn zestiende begon hij piano te spelen, na zijn diensttijd volgde hij een studie muziektheorie en fluit aan het Amsterdams Muzieklyceum, maar brak die het laatste jaar af: “Ik wilde weten hoe ik moest arrangeren, niet alleen maar horen hoe Mozart indertijd instrumenteerde.” Hij ging cabaretgezelschappen begeleiden, zoals Lurelei en dat van Cox en Halsema, en ontwikkelde zich allengs als arrangeur voor gelegenheidscombinaties. Daaronder het Hobby Orkest van Cees Smal, Herman Schoonderwalt en Frans Elsen. Het zijn de proefjaren, die, samen met bescheiden bijdragen over Rogiers privéleven en diens karaktertrekken – onrustig, nors, dominant – op een kundig uit vele uitspraken opgebouwde wijze door John van Markwijk uit de doeken worden gedaan in een biografie, die helaas beperkt verkrijgbaar is voor donateurs van het Metropole Orkest. Het is namelijk dit orkest waaraan Van Otterloo vooral zijn naam te danken heeft, als dirigent, welteverstaan. Op 1 september 1980 ging zijn benoeming in. Zijn voorganger, Dolf van der Linden, had het er maar moeilijk mee. Het Metropole Orkest, zijn geesteskind sinds de bevrijding, geleid door iemand met weinig repertoirekennis en zonder affiniteit met operette.

Rogier gooide het roer radicaal om. Hij verjongde het orkest en voorzag het van twee ritmesecties: één voor jazz en lichte muziek, en één voor popmuziek. Met dat laatste had hij nooit veel op gehad, maar was er wel door beïnvloed. Dat laten ook de composities horen die hij voor het orkest schreef en waarvan er enkele op de bijgaande dvd worden uitgevoerd. Alle blijken te zijn aangetast door dat gepuncteerde ritme, zonder welke geen enkele bigband het in de jaren zeventig kon stellen. Maar hij heeft het jazzelement in het orkest een enorme impuls gegeven. Getuige het dubbelalbum van de NOS, dat als promotiemateriaal de wereld in werd gestuurd: ‘This Is All I Ask’, in nr. 100 van deze uitgave door Lex Lammen gememoreerd als een van zijn favoriete Nederlandse producties. Als arrangeurs werden hiervoor buitenlanders als Steve Gray en Bill Holman aangetrokken. Later kwamen daarbij onze eigen Rob Pronk en Gerry van Rooyen. En aan bekwame jazzsolisten geen gebrek: Piet Noordijk, Lex Jasper en op de bewuste plaat bovendien Ack van Rooyen en Bart van Lier als gasten.

Het deel over het Metropole Orkest beslaat overigens maar een vijfde van het boek. Daarvóór gaat het over Van Otterloo’s bijdragen aan filmmuziek en de jaren bij CBS, toen hij deel uitmaakte van het ‘kliekje, dat elkaar de bal toespeelde’ (radiopresentator Willem Duys over de samenwerking tussen de producenten John Vis, Ruud Jacobs en anderen). Maar er was wel een herkenbaar en eigen geluid ontstaan: dat van de Nederlandse lichte muziek in de jaren zeventig.

De dvd bevat, naast het genoemde, de documentaire die Melchior Huurdeman maakte voor VPRO’s Vrije Geluiden. Na een in dit kader overbodige aankondiging van Hans Flupse volgt een ijzersterk begin, dat herinneringen oproept aan de hoed van Lester Young als opening van ‘Jammin’ the Blues’: de titel verschijnt op een grijze ondergrond, die zich openbaart als de grijper van een kraan die, na diens ontijdig overlijden op 46-jarige leeftijd, korte metten maakt met Rogiers werkkeet.

Jan J. Mulder

Auteur: John van Markwijk.
Titel: Rogier van Otterloo, arrangeur, componist, orkestleider.
Uitgever: Stichting Vrienden van het Metropole Orkest, 2011.
182 pag. : ill. ; 24×17 cm + dvd.
ISBN 978-90-816925-1-9 ing.
Prijs 25 euro + porto.

DIT BOEK IS HELAAS UITVERKOCHT!!!

Dit artikel is eerder verschenen in JazzFlits nummer 157 (9 mei 2011)